Tot mijn niet geringe schrik kwam ik er achter dat ik in het hele jaar 2020 nog geen blogpost had geplaatst. Wat is er in de tussentijd in hemelsnaam gebeurd dat ik blijkbaar geen inspiratie, geen aanleiding, geen noodzaak voelde om iets, al is het maar iets, te delen? Nou, bij deze een eerste poging de achterstand in te halen: een kort, vertaald, verhaal van Caio Fernando Abreu.
Abreu (1948-1996) is een bekende naam in het Braziliaanse literaire circuit, en inmiddels veelvuldig vertaald, o.a. naar het Nederlands. Hij leefde en schreef in de jaren zestig, zeventig, van tachtig van de vorige eeuw. Hij had daarbij altijd oog voor het actuele en ondervond daar ook de gevolgen van toen hij gedwongen vluchtte voor vervolging van de Braziliaanse militaire politie. Eerst dook hij onder bij zijn vriendin Hilda Hilst. Later woonde hij enkele jaren verbannen in Europa.
Begin jaren negentig werd er AIDS bij hem vastgesteld. Zijn fysieke gesteldheid verslechterde zo snel dat hij introk bij zijn ouders in Porto Alegre, waar hij de laatste jaren van zijn leven de dagen vulde met het verzorgen van de tuin. Vandaar dat dit korte verhaal mij bijzonder raakte. De man en zijn naderend afscheid gevat in een metafoor van bloemen, zonnebloemen welteverstaan.
De dood van zonnebloemen*
door: Caio Fernando Abreu
(vertaling: JK)
![]() |
| Caio Fernando Abreu |
Ik geloof dat hij doorliep,
nog een graadje bleker dan eerst. Of ik liep weg, maakt ook niet uit.
Nu iets heel anders, zonder
van onderwerp te veranderen: ik heb veel opgestoken van de tuin. De zonnebloemen,
bijvoorbeeld, die van een afstandje eenvoudige
bloemen lijken, gemakkelijk ook, een beetje grof zelfs.
Maar dat zijn ze niet. Ze
nemen lange tijd om zich voor te bereiden op de bloei, groeien langzaam en
nemen het op tegen duizenden vijanden, zoals gemene mieren, slecht willende
slakken, slopende stormen. Na maanden, op een dag: paf! Daar is dat vreemde
knopje, net alsof hij elk moment al kan opengaan.
Maar het duurt wel even, deze
ook, om te groeien. Ik deed nog zo mijn best, maar niets hoor. Toen ging ik een
maand op vakantie in de zomer, en toen ik terug kwam was het huis geschilderd,
ook de muren, en een paar zonnebloemen waren geknakt. Ik was woest. Schreeuwde
naar de schilder: “maar weet u dan niet dat planten pijn ervaren, net als
mensen?” De man keek me bleekjes aan, net als de buurman. Nee, dat wist hij
niet, zoveel begreep ik ook wel. En ik wijdde me aan het redden wat er te
redden viel, wat men altijd zou moeten
doen in zo’n situatie.
Want er is nog iets anders:
wanneer de zonnebloem zich opent, vervalt hij over het algemeen snel. De stam
is te slap voor de eigen bloem, begrijp je? Dus, aangezien hij de schoonheid die hij
zelf voortbrengt niet kan dragen, valt hij op de grond, moe van al die
gecreëerde pracht. Ik ken maar weinig dingen
die zo prachtig
zijn, want dat is het juiste bijvoeglijk
naamwoord, als een geopende zonnebloem.
Sommige kalefaterde ik op met
touwtjes aan de muur, maar er waren er die zo kapot waren dat ik ze niet eens
veel aandacht gaf. Het leek niet de moeite waard. Ik zette er één voorzichtig
te leunen tegen een sanseveria en gaf hem over in Gods handen. Zo stond hij de
volgende dag weer een beetje rechtop, schuin, los van de hulp van de
sanseveria. Zo heel voorzichtig kwam hij er weer bovenop. Totdat hij er weer
bijna was, bam! Viel er toch een bak water uit de lucht en lag hij weer op de
grond. ’s Morgens stond hij er toch weer, onder de modder. Toen had ik een
idee: ik knipte hem voorzichtig af en legde hem aan de voeten van de Chinese Boeddha
met de afgebroken handen die ik van Vicente Pereira geërfd had. De bloem was er
slecht aan toe. De stengel was op verschillende plekken geknakt, de bloem hing
er half bij met de rug naar de Boeddha. Het lukte niet om hem beter te schikken.
De volgende dag, ik zweer
het, had hij een hele draai om zijn as gemaakt en zijn bloem geopend,
schitterend, precies gericht op het lachende gezicht van de Boeddha. Het leek
alsof de twee elkaar toelachten. De één met gebroken stengel, de ander met afgebroken
handen. Het duurde niet lang, zonnebloemen blijven niet lang goed, zo’n drie
dagen. Dus pakte ik hem op, plukte één voor één zijn bloemblaadjes, brak
daarna de stengel en het
bloemenhart en gooide ze tussen de planten onder het
balkon, zodat ze daar in het perk tot stof zouden worden, humus vermengd met
aarde, waarna ik het ook niet meer zou weten, terugkomend als deel van een roos,
een gladiool, lelie, of azalea, wie weet wat voor verhaaltjes die wortels
uitdenken, daar beneden in het donker.
Ah, liever geen bloemen te
sturen. Zoals ik al eerder zei, heb ik sinds ik in de tuin werk zoveel geleerd.
Een van de dingen die ik leerde was dat men niet zou moeten besluiten tot een
vroegtijdige dood van een zonnebloem, begrijp je? Sommige mensen vinden zelfs
van nooit. Maar voor hen schrijf ik niet.
Pedi autorização para publicar a história na editora Nova Fronteira. Não responderam. Se tiver um assunto, por favor entrem em contato.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten