maandag 22 februari 2021

Braziliaanse kronieken VII: Caio Fernando Abreu

 Tot mijn niet geringe schrik kwam ik er achter dat ik in het hele jaar 2020 nog geen blogpost had geplaatst. Wat is er in de tussentijd in hemelsnaam gebeurd dat ik blijkbaar geen inspiratie, geen aanleiding, geen noodzaak voelde om iets, al is het maar iets, te delen? Nou, bij deze een eerste poging de achterstand in te halen: een kort, vertaald, verhaal van Caio Fernando Abreu.

Abreu (1948-1996) is een bekende naam in het Braziliaanse literaire circuit, en inmiddels veelvuldig vertaald, o.a. naar het Nederlands. Hij leefde en schreef in de jaren zestig, zeventig, van tachtig van de vorige eeuw. Hij had daarbij altijd oog voor het actuele en ondervond daar ook de gevolgen van toen hij gedwongen vluchtte voor vervolging van de Braziliaanse militaire politie. Eerst dook hij onder bij zijn vriendin Hilda Hilst. Later woonde hij enkele jaren verbannen in Europa. 

Begin jaren negentig werd er AIDS bij hem vastgesteld. Zijn fysieke gesteldheid verslechterde zo snel dat hij introk bij zijn ouders in Porto Alegre, waar hij de laatste jaren van zijn leven de dagen vulde met het verzorgen van de tuin. Vandaar dat dit korte verhaal mij bijzonder raakte. De man en zijn naderend afscheid gevat in een metafoor van bloemen, zonnebloemen welteverstaan. 


De dood van zonnebloemen*

door: Caio Fernando Abreu (vertaling: JK)


Caio Fernando Abreu
De avond viel en ik was bezig in de tuin. Een buurman liep voorbij en keek me aan met een bleek gezicht, bleek zelfs voor de vallende duisternis. Zo erg dat ik achterom keek of er iets achter mij in de tuin de aandacht trok. Maar ik zag slechts de fuchsia’s, de klimop die voorzichtig langs de touwtjes omhoog kroop, roze rozen, slordige gladiolen. Ik zei hoi. Hij verbleekte nog meer. Ik vroeg wat er was, en hij verzuchtte: “ze zeiden in Bonfim dat je afgelopen donderdag overleden was.” Ik zei, of dacht te zeggen, of dacht aan wat ik eventueel had kunnen zeggen: “Het is waar, ik ben overleden. Datgene wat je ziet is een verschijning, ik ben teruggekomen omdat ik mij niet los kan maken van de tuin. Ik blijf hier om de geest Egum aan te roepen net zolang totdat die gele roos, die ik op de dag van Oxum geplant heb, haar bloem laat zien. Wanneer je weer in Bonfim bent zeg ze maar dat ik inderdaad dood ben, al een tijdje; augustus vorig jaar. Zeg ze maar gelijk dat het hier aan de andere kant prima vertoeven is: eindelijk een plek zonder depressies.”

Ik geloof dat hij doorliep, nog een graadje bleker dan eerst. Of ik liep weg, maakt ook niet uit.

 

Nu iets heel anders, zonder van onderwerp te veranderen: ik heb veel opgestoken van de tuin. De zonnebloemen, bijvoorbeeld, die van een afstandje eenvoudige bloemen lijken, gemakkelijk ook, een beetje grof zelfs.

Maar dat zijn ze niet. Ze nemen lange tijd om zich voor te bereiden op de bloei, groeien langzaam en nemen het op tegen duizenden vijanden, zoals gemene mieren, slecht willende slakken, slopende stormen. Na maanden, op een dag: paf! Daar is dat vreemde knopje, net alsof hij elk moment al kan opengaan.

Maar het duurt wel even, deze ook, om te groeien. Ik deed nog zo mijn best, maar niets hoor. Toen ging ik een maand op vakantie in de zomer, en toen ik terug kwam was het huis geschilderd, ook de muren, en een paar zonnebloemen waren geknakt. Ik was woest. Schreeuwde naar de schilder: “maar weet u dan niet dat planten pijn ervaren, net als mensen?” De man keek me bleekjes aan, net als de buurman. Nee, dat wist hij niet, zoveel begreep ik ook wel. En ik wijdde me aan het redden wat er te redden viel, wat men altijd zou moeten doen in zo’n situatie.

Want er is nog iets anders: wanneer de zonnebloem zich opent, vervalt hij over het algemeen snel. De stam is te slap voor de eigen bloem, begrijp je? Dus, aangezien hij de schoonheid die hij zelf voortbrengt niet kan dragen, valt hij op de grond, moe van al die gecreëerde pracht. Ik ken maar weinig dingen die zo prachtig zijn, want dat is het juiste bijvoeglijk naamwoord, als een geopende zonnebloem.

 

Sommige kalefaterde ik op met touwtjes aan de muur, maar er waren er die zo kapot waren dat ik ze niet eens veel aandacht gaf. Het leek niet de moeite waard. Ik zette er één voorzichtig te leunen tegen een sanseveria en gaf hem over in Gods handen. Zo stond hij de volgende dag weer een beetje rechtop, schuin, los van de hulp van de sanseveria. Zo heel voorzichtig kwam hij er weer bovenop. Totdat hij er weer bijna was, bam! Viel er toch een bak water uit de lucht en lag hij weer op de grond. ’s Morgens stond hij er toch weer, onder de modder. Toen had ik een idee: ik knipte hem voorzichtig af en legde hem aan de voeten van de Chinese Boeddha met de afgebroken handen die ik van Vicente Pereira geërfd had. De bloem was er slecht aan toe. De stengel was op verschillende plekken geknakt, de bloem hing er half bij met de rug naar de Boeddha. Het lukte niet om hem beter te schikken.

De volgende dag, ik zweer het, had hij een hele draai om zijn as gemaakt en zijn bloem geopend, schitterend, precies gericht op het lachende gezicht van de Boeddha. Het leek alsof de twee elkaar toelachten. De één met gebroken stengel, de ander met afgebroken handen. Het duurde niet lang, zonnebloemen blijven niet lang goed, zo’n drie dagen. Dus pakte ik hem op, plukte één voor één zijn bloemblaadjes, brak daarna de stengel en het bloemenhart en gooide ze tussen de planten onder het balkon, zodat ze daar in het perk tot stof zouden worden, humus vermengd met aarde, waarna ik het ook niet meer zou weten, terugkomend als deel van een roos, een gladiool, lelie, of azalea, wie weet wat voor verhaaltjes die wortels uitdenken, daar beneden in het donker.

Ah, liever geen bloemen te sturen. Zoals ik al eerder zei, heb ik sinds ik in de tuin werk zoveel geleerd. Een van de dingen die ik leerde was dat men niet zou moeten besluiten tot een vroegtijdige dood van een zonnebloem, begrijp je? Sommige mensen vinden zelfs van nooit. Maar voor hen schrijf ik niet.


Pedi autorização para publicar a história na editora Nova Fronteira. Não responderam. Se tiver um assunto, por favor entrem em contato.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten