zaterdag 16 maart 2019

João Antônio over Braziliaanse literatuur in Nederland


De Braziliaanse journalist en schrijver van korte verhalen João Antônio (1937-1996) verbleef eind jaren tachtig in Europa en bezocht Nederland in 1985. Hij verwonderde zich over de populariteit die de Braziliaanse literatuur in Nederland op dat moment had, in het bijzonder de negentiende-eeuwse schrijver Machado de Assis. Het hier volgende artikel verscheen op 24 juni 1992 in de krant Jornal do Brasil. 


Het raadsel van Cosme Velho*
Door: João Antônio (vert. JK)

In mei 1985, leerde ik Amsterdam kennen. Ik moet zeggen dat de stad met haar grachten in de lente lijkt op een poppenhuis. Ik kwam er op uitnodiging en werd ondergebracht in een klein appartement, met het privilege dat het op de gracht lag en ver genoeg van het Centraal Station. Amsterdam, plat, heeft tot op de dag van vandaag trams. Niet zo stil en geordend als in Den Haag, maar net zo netjes. Het waren altijd de trams die mij nieuwtjes brachten in mijn jeugd, en later mijn zaken in São Paulo, Santos of Rio de Janeiro.

Een student Braziliaanse en Portugese literatuur, Ruud Ploegmakers, die dankzij een studiebeurs een jaar in Santa Teresa [oude buurt in Rio de Janeiro - JK] woonde, had een paar van mijn boeken uitgekozen voor zijn Masterscriptie en zou die later een, op het eerste gezicht, pittoreske titel meegeven: Frescuras do Coração – melancolia nos contos de submundo de João Antônio#  Hij zou zijn scriptie verdedigen, in Utrecht, vanwaar de universiteit mij uitnodigde voor debatten en het meedoen aan bijeenkomsten die gingen over onderwerpen, van mijn eigen scheppingsproces, tot aan problemen die de Nederlanders bezig hielden met betrekking tot Brazilië. Zoals censuur, bijvoorbeeld. Bij een zo’n bijeenkomst in het theater De Balie was ook de later overleden Argentijnse schrijver Manuel Puig uitgenodigd.
João Antônio
Datgene wat je opvalt wanneer je voor de eerste keer de Nederlandse tulpenvelden in mei meemaakt: je begint te begrijpen waar de levenskracht van Vincent van Gogh vandaan komt.
Amsterdam gaf me meer dan poppenhuisjes en prachtige gevels, meer dan het kosmopolitische leven van de bohemien, de koorts en het leven van de Rosse buurt met haar dames achter glas, meer dan de muziek van de carillons – Brahms, Beethoven, Gounod, Mendelssohn, stukken sonates, cantates… - van haar kerken bij het slaan van de uren over haar Hollandse daken. Voorjaar, onvergetelijk.
Groothartig zou Nederland het grootste cadeau geven: Machado de Assis. Onze Machado de Assis in de boekwinkels tussen de meest verkochte en meest gerespecteerde. Het werd groots gebracht. August Willemsen, vertaler van Manuel Bandeira, Carlos Drummond de Andrade, Dalton Trevisan, die Graciliano Ramos bestudeerde en anderen, schrijver van een essay over het Braziliaanse voetbal en Garrincha (God is rond), vertaalde vijf grote romans van Machado. Van Esau en Jacob&, tot Dom Casmurro en Memorial de Aires, plus een selectie verhalen onder de titel Alienista. Machado de Assis zou de Nederlandse kritieken ontregelen. Hij zou zijn dribbels en trucs herhalen in dat lage land, spelend met taal en vragen opwerpend zoals hij hier in Brazilië deed, nog altijd zonder antwoord. Hoe is het mogelijk dat zo’n verlichte geest ontstond en ontplofte in een perifeer land als Brazilië in de tweede helft van de negentiende eeuw. Hoe is het mogelijk dat iemand psychen en zielenroerselen doorgrondde, verteltechnieken beheerste, en op esthetische en structuuroplossingen kwam die meer dan modernistisch waren en op gelijke hoogte stonden als die Luigi Pirandello, Anton Tsjechov, Katherine Mansfield of Robert Musil. En dat in een land zonder grote culturele traditie, grote universiteit en zonder een origineel filosofisch model.
Even, of zelfs meer, stupéfait dan mijn nieuwe Nederlandse vrienden, antwoordde ik hierop met juist meer vragen. Hoe kan het dat een ongeschoolde, die op zijn twaalfde leerde lezen toen hij werkte bij een letterzetter in Rio de Janeiro, autodidact, dus, een diepgravend verhaal schreef over het onderwijs van zijn tijd? Hoe kan het dat een mulat van op de heuvel@, zo arm als bewoners van de heuvel toen waren, de passie, en zelfs de lauwe passie, zoals in Brás Cubas of Quincas Borbas, of achter het mysterie van het vrouwelijke ‘ik’ behandelde? Die wilde en afwachtende diepte van wie kookt op halfvuur, nog maar halfgaar, maar voldoende en voortdurend, tot het moment dat hij komt met een personage als Simão Bacamarte, een Virgínia, een Betinho, een Deolindo Venta-Grande die voorbij de Engelse Begraafplaats schrijdt op zoek naar zijn Genoveva in het universele verhaal Noite Almirante?
Voor wie het kille, scherpe scalpel van de zielenchirurg wilt gebruiken, toe maar; wie met woorden en taal op zo’n hoog niveau boetseert als de grote Portugese klassieken en zelf de grootste verteller van de Portugese taal is, ga maar; wie met risico en vrijmoedig begint met nieuwe technieken en structuren… Wie onnavolgbare originaliteit heeft; ga!
Maar wat ons, Nederlanders en mijzelf, het meest verraste was dat alles bij elkaar opgeteld het resultaat was van één schrijver – verleider, van gigant tot schobbejak, van scepticus tot ethicus, van klassiek schrijver tot revolutionair en hyper-realist. Kunstenaar van het veinzen, werkend tussen de regels door en voortdurend spelend met het tweeslachtige; hij is een raadsel. Het grootste van de Braziliaanse literatuur.
En hij is een verbijsterend estheticus, zijn proza danst voortdurend op het puntgave ritme, en hij danst op zijn beurt als ware hij onze eigen primo-ballerino.
In een Amsterdams platenzaak werd een populair Braziliaans liedje gespeeld:

               “Meu coração amanheceu pegando fogo, fogo, fogo, foi uma morena que passou 
                perto de mim e me deixou assim.”

Kijk, behalve dat de haren op mijn armen overeind kwamen van dit gepassioneerde, losbandige liedje, bracht het me blijmoedig terug in het midden van Machado. De liefde, de passie verslindt zijn personages snel en brandt ze van binnen en van verre, met desastreuze gevolgen. Het is furie. Tegelijkertijd is de ambiance super delicaat. Machado de Assis is de meeste verfijnde van onze vertellers en meest ‘spirituele’, zoals Mário de Andrade al opmerkte.
Heer die zich deze contrasten eigen maakte, raadsel van Cosme Velho, meester van de verleiding. Meer dan een heks.+
De duivel is geen duivel omdat hij de duivel zou zijn. De duivel is duivel, omdat hij oud is. Zoals de heks van Cosme Velho niet lachte: hij is heks. En hij blijft overal onder: spionerend. De magiër glimlacht om ons allen – Brazilianen, Nederlanders, Duitsers, Engelsen… En waar blijven onze moderniteiten en post-moderniteiten? Zullen het steriele frivoliteiten blijven?
Ik glimlachte zoals een primo ballerino. Of beter nog, als een goddelijke demon.



* Buurt in Rio de Janeiro waar Machado de Assis woonde en, curieus genoeg, ook August Willemsen tijdelijk woonde begin jaren tachtig.
# Ik hoor nog graag van Ruud wat de Nederlandse titel was. Als we het zo vertalen is het iets als: 'frivoliteiten van het hart – melancholie in de onderwereldverhalen van João Antônio'
& Uiteindelijk is deze vertaling gedaan door vertaler Harrie Lemmens, zo lees ik in een voetnoot bij een interview met AW.
@ Het woord ‘morro’ kan worden vertaald als heuvel, maar wellicht zou favela, of achterbuurt beter zijn.
+ De benaming 'Bruxo de Cosme Velho' is bedacht door Drummond de Andrade die een gedicht met die titel opdroeg aan Machado de Assis.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten