In een vorig blog kondigde ik een nieuwe rubriek aan: Braziliaanse Kronieken. De mooiste kronieken en columns uit Brazilië, geïnspireerd door chroniqueur Conceição Freitas, die het een literair genre noemde en haar eigen life saver. Hierbij de tweede aflevering, uit 1964 (oorspronkelijk nog eens 19 jaar eerder gepubliceerd), geschreven door Rubem Braga. Deze schrijver van korte verhalen werd geboren in de deelstaat Espírito Santo, studeerde in Niterói (Rio de Janeiro), en werd oorlogscorrespondent in Italië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarna woonde hij afwisselend in verschillende Braziliaanse steden en als diplomaat in het buitenland. Zijn kronieken verschenen in kranten als Diário de Tarde en O Estado de São Paulo, en werkte hij voor Globo. Deze kroniek verscheen in Jornal do Brasil.
| Rubem Braga (1913-1990) |
Aula de
Inglês / Engelse les
Door: Rubem
Braga (vert. Joris Kleverlaan)
-
- Is
this an elephant?’
Mijn eerste ingeving was om ‘nee’ te antwoorden; maar je
moet niet altijd op je eerste gevoel afgaan. Een snelle blik die ik op de
docente wierp was genoeg om te zien dat ze het serieus meende en ze gebruikte
een stemgeluid van iemand die een zwaar probleem te berde bracht. Dit gezien
hebbende, onderzocht ik het object dat ze me voorhield met meer interesse.
Het had geen zichtbare slurf, waaraan een lichtvaardig
persoon vlugjes had kunnen concluderen dat het hier om een olifant ging. Maar
als we de slurf van de olifant halen, dan nog zou het een olifant betreffen.
Zelfs als hij zou sterven als gevolg van dergelijke zware operatie, ook dan was
het onmiskenbaar een olifant; het zou dan een dode olifant zijn, maar
onmiskenbaar een olifant als om het even welke andere. Terwijl mijn gedachte
hierover gingen, herinnerde ik mijzelf eraan te onderzoeken of het soms vier
poten had. Vier dikke, zware poten, zoals olifanten gewoonlijk hebben. Nee dus.
Ook kon ik het kleine staartje dat het grote beest kenmerkt niet ontdekken; dat
staartje dat soms, zo had ik in het circus gezien, gewoonlijk met kinderlijke
zwierigheid heen en weer zwaaide.
Klaar met mijn observaties, keerde ik mij naar de docente en
zei, vol overtuiging:
- -
No, it’s not!
Ze stiet een kort, tevreden gilletje uit: het wachten op
mijn antwoord had haar nerveus gemaakt. Direct vroeg ze:
-
- Is it a book?
Ik glimlachte om de vraag: ik had een groot deel van mijn
leven tussen boeken doorgebracht, ik ken boeken, had met ze geleefd, ik kan
boeken op eerste gezicht onderscheiden van andere objecten, of het nou flessen,
tegeltjes, of rijpe kersen zijn – als die er al zouden zijn. Dit was geen boek,
en zelfs als er boeken zouden zijn die in aardewerk gekaft zouden zijn, dan
leek dit er geenszins op. Mijn antwoord liet hoogstens twee seconden op zich
wachten:
-
- No, it’s not!
Het deed me genoegen om wederom haar tevredenheid te zien –
slechts eventjes. Die vrouw was een van die onverzadigbaren die altijd bezig
zijn met vragen stellen, en die eruit zien alsof ze geteisterd worden door hun
eigen nieuwsgierigheid over dingen.
-
- Is it a handkerchief?
Door deze vraag raakte ik flink van streek. Om heel eerlijk
te zijn: ik wist niet eens wat een handkerchief zou kunnen zijn; een hypotheek,
misschien? Nee, geen hypotheek. Waarom zou het een hypotheek zijn?
Handkerchief! Dat was een woord zonder ook maar de minste schaduw van een onsympathieke
betekenis; misschien was het een diensthoofd, of een polshorloge, of zelfs, en zeer
waarschijnlijk, hoofdpijn. Wat het ook zou kunnen zijn, ik antwoordde:
-
- - No it’s not!
Mijn antwoord klonk luid, met een zekere agressiviteit,
omdat ik het verschrikkelijk zou vinden toe te geven dat dat ding, of welk ander
ding in de nabijheid ook, een handkerchief zou kunnen zijn.
Ze stelde daarom nog maar een vraag. Dit keer echter met een zekere, kwaadaardige blik in haar ogen, een soort insinuatie, een tikje valse
afstandelijkheid. Haar stem was wat trager dan anders. Ik was niet geheel
onbekend met de vrouwelijke psyche en voordat ze haar mond open deed wist ik al
zeker dat het dit keer om de allesbeslissende vraag ging.
-
- It is an ashtray?
Een groot geluk overspoelde mijn ziel. Ten eerste omdat ik
wist wat een ashtray was; ashtray is een asbak. Ten tweede omdat ik, het object
aanstarende dat ze me voorhield, een onmisbare overeenkomst zag met een asbak.
Een aardenwerken ovaal, van zo’n 13 centimeter doorsnee. De randen waren
ongeveer een centimeter hoog, en er zaten inkepinkjes in, een stuk of twee,
drie. In het midden een laagte, afgebakend door de randjes, met daarin een
klein stukje gerookte sigaret (een peuk) en hier en daar verspreide as, en
daarbij een al gebruikte lucifer. Ik antwoordde:
-
- Yes!
Wat volgde was onbeschrijflijk. Die goeie juffrouw kreeg een
geheel opgefleurd gelaat als door een golf van gelukzaligheid; haar ogen
schitterden – victorie, victorie! – een grote glimlach getoverd op haar lippen,
waar nog maar weinig herinnerde aan de trieste en onrustige contemplatie van
eerder. Ze kwam een weinig omhoog van haar stoel en ik kon niet voorkomen dat
ze haar arm uitstak en me op de schouder sloeg, terwijl ze tegelijkertijd
enthousiast uitriep:
-
- Very well!! Very well!!
Ik ben een van nature timide man, en zeker waar het de omgang
met vrouwen betreft. De uitbarsting waarmee ze mijn overwinning vierde stoorde
me; ik schrok, én voelde trots en schaamte.
Ik kwam ongelooflijk blij terug van die eerste les; ik liep
met ferme pas over straat en zag in een etalage Engelse pijpen liggen die
er om vroegen gekocht te worden. Ik zou zeker in een uitgebreid gesprek geraken
met de Engelse ambassadeur, mocht ik hem op dat moment tegenkomen. Ik zou de
pijp uit mijn mond halen en zeggen:
-
- It
is not an ash-tray!
En hij zou zeker heel tevreden zijn dat ik Engels sprak,
omdat het voor een ambassadeur altijd fijn zou zijn te zien dat goede mensen uit
andere landen, met een bonafide regering, zijn taal zouden spreken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten