zaterdag 30 juni 2018

Huizen van schrijvers


(oorspronkelijke titel: Casas de Escritores. Uit: O Globo, Sábado, 30 juni 2018)
Door: José Eduardo Agualusa (vertaling: Joris Kleverlaan)

Toen ik een jaar of twaalf, dertien was gaf iemand me een prachtig fotoboek over de huizen van schrijvers. Dat boek ben ik verloren, samen met mijn kleine bibliotheek van jeugdboeken, en mijn jeugd zelve, aan het begin van de burgeroorlog in Angola. Toch herinner ik me tot op de dag van vandaag bepaalde dingen van die schrijvershuizen, met doorzakkende boekenplanken en slapende poezen op leren fauteuils. Ik vermoed dat ik schrijver geworden ben in de hoop ooit zo’n huis te bewonen.

Vandaag de dag zou zo’n boek al niet eens meer gemaakt kunnen worden. De meeste schrijvers brengen meer tijd door op vliegvelden, vliegtuigen en in literaire residenties dan in hun eigen huis. Vermoedelijk hebben de meeste niet eens meer een huis. Ikzelf, gedurende enkele jaren, bezat slechts een digitaal adres.
We slingeren ons fanatiek van festival naar festival, van stad naar stad, van literaire residentie naar literaire residentie, zoals schrijvers zich aan henzelf voorstellen, zichzelf duizend maal herhalen met dezelfde zinnen en dezelfde grapjes.
Vroeger ontmoeten schrijvers zich in cafés. Ze wisselden boeken en ideeën uit. Discussieerden over de zin van het leven. Nu komen ze elkaar op vliegvelden tegen en bespreken de effecten van de jetlag – of  het “atypische dagritme” (zoals een vriend het noemt, wars van anglicismen).
‘Jij hier? Waar kom je vandaan?’
‘Japan, een verschrikkelijke reis. En jij?’
‘Denemarken. Een aansluitend vliegtuig werd geannuleerd en ik moest 24 uur op het vliegveld van Kopenhagen doorbrengen. De stoelen daar zijn verschrikkelijk om te slapen.’
‘Die stoelen zijn zo gemaakt dat niemand er op kan slapen. Je zou staand moeten leren slapen.’
Ik heb nog steeds niet geleerd om staand te slapen. Ik heb wel leren schrijven in de minst gunstige omstandigheden. En, ik denk andere schrijvers evenzeer. Dat, of ze hebben ghost writers ingehuurd terwijl ze zelf als zombies over de hele wereld rondscharrelen; uiteindelijk huren ze dubbelgangers in, die over de wereld scharrelen terwijl ze zelf schrijven, ik weet het niet.

Een paar dagen geleden was ik op het vliegveld van Kopenhagen, mezelf dwingend om op een Ipad te schrijven, omdat ik toch niet slapen kon. Het was drie uur ’s nachts. Het was koud. Op de stoelen voor mij drie dames in boerka's die probeerden, zonder veel succes, een soort tent op te zetten, met lakens en dekens. Een jonge Viking had zich languit op de betonnen vloer neergevlijd met zijn hoofd op zijn rugzak. Hij snurkte.
Een diffuus licht viel van boven, verloren in de lucht voordat het de grond raken kon. Het was slechts schijnlicht, zoals in aquariums, dat ons in die kleine, zwierige wereld geboeid houdt. Een man kwam op mij af. Hij had rossige krullen die hij af en toe heen en weer schudde alsof hij met een vlag wapperde.
Hij mompelde wat, wat ik niet verstond, terwijl hij me een boek gaf. Ik nam het van hem aan, zonder erbij na te denken, en de man was terstond al weer verdwenen. De rode boekomslag lichtte op in het donker. Ik kon de titel niet ontcijferen. Deens. Misschien Noors. De omslag was een reproductie van ‘Het laatste oordeel’ van Hieronymus Bosch. Ik bladerde er doorheen en zag dat het vol aantekeningen stond. Aantekeningen in verschillende kleuren en handschriften, zelfs in verschillende talen, wat de indruk gaf dat het boek door vele handen was gegaan.
Het was nog ’s nachts toen ik me naar de rij wachtenden bij de bagage drop-off begaf. En stuk of vier, vijf politieagenten stonden bij de bagagescanner. Een van hen had het op mij voorzien en vroeg me mijn laptop aan en weer uit te zetten. Hij stond erop mijn rugzak door de scanner te halen. Wilde weten waarom ik een boek in het Deens bij me had terwijl ik de taal niet verstond. Uiteindelijk liet hij me toch door.
Al in het vliegtuig, met het hoofd in de wolken, bladerde ik weer door het boek, nu wat rustiger. Op de laatste pagina vond ik een aantekening die ik kon ontcijferen omdat het in het Frans was geschreven, in een sierlijk handschrift: ‘het huis van een schrijver, zijn dat zijn boeken?’
Dat lijkt me een goede vraag. Maar het antwoord weet ik niet. Wat ik weet is dat de boeken, zelfs die ons obscuur overkomen, of onbruikbaar, misschien zelden de antwoorden geven die we zoeken – maar bijna altijd goede vragen opleveren.
Ik liet het boek achter op een tafeltje van een kleine bar op het internationale deel van het volgende vliegveld. Ik hoop dat het volgende reizigers iets goeds brengen zal.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten