Zelden in mijn leven heb ik zo’n reusachtig open einde
meegemaakt als in het theater laatst. Een actrice, gestoken in diepzwarte
kleren, op een verder inktzwart toneel, met slechts heel af en toe wat schaarse
verlichting, vertelde hoe het met de wereld zou vergaan als wij, mensen, in een
klap zouden verdwijnen. Gewoon, alles staat er nog, al het ongedierte dat al
tussen de planken van het oude theater en elders leeft zou voortleven. Huisdieren,
vogels, veeteelt; allen wat onwennig met de situatie. De mens is weg. Foetsie.
Opgerot. Heerlijk rustig voor een aarde die wel even een adempauze kon
gebruiken.
De actrice vertelt door, somt droogjes op wat er met gebouwen gebeurt, langzaam overwoekerd en in slow motion tot puin inééngestort en waar de kluizen het langst van overblijven. Ze leest haar testament voor, opgeslagen in zo’n kluis. En verder gaat ze, de toekomst in. Het gaat op een zeker moment alsnog goed mis met aarde. Een hopeloze opwarming zorgt ervoor dat zeeën aan de kook raken, alles verdroogt, verdort; het leven valt ten slotte ten prooi aan verstoffing. De aarde wordt een snikhete, uitgedroogde, verwoestijnde bol die haveloos door de ruimte vliegt. Niets, maar dan ook helemaal niets herinnert er nog aan de mens. Onze aanwezigheid blijkt uiteindelijk niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis van het heelal.
Of toch? Op biljoenen lichtjaren van hier vliegt de sateliet ‘Voyager I’. Eens, lang geleden, op 5 september 1977 om precies te zijn, werd deze onbemand op reis gestuurd. Aan boord, behalve inmiddels totaal in onbruik geraakte apparatuur bevindt zich een gouden plaat, de Voyager Golden Record. Op deze plaat staan tekeningen, foto’s, muziekstukken, spraakfragmenten waarmee de beoogde buitenaardse vinder in meer dan 50 talen wordt begroet. Zal hij (zij, het?) dat begrijpen? Er wordt een handleiding bijgeleverd. Hoe je een grammafoonspeler maakt, hoe de naald eruit moet zien. Het besef dat we het nu, nog slechts een paar decennia later, doen met digitale opslag en uitlezing, doet alleen al vermoeden hoe het wezen op de neus zal kijken, zover hij díe al heeft, in zijn pogingen iets van conceptueel begrip voor die raar glimmende elpee te krijgen.
Als we nu terugdenken aan het moment waarop we het theaterlijke verhaal verlieten en we ons indenken hoe die kale, hete, levensloze bol door de ruimte vliegt, met die intigrerende gouden plaat ergens op grote afstand, kunnen we ons ook afvragen of dit wel het einde van het verhaal is, zoals de actrice ons leek te doen geloven. We hoeven namelijk niet vooruit te denken en futuristische scenarios te schrijven over de levenloze planeet. We kunnen ook naar achter kijken. Ooit was de planeet aarde namelijk al zo’n haveloze bol. Een paar miljard jaar geleden bestond er ook niets. Toen was het ook leeg, vlak, droog en heet, heel erg heet. Maar juist toen dat verhaal dus leek te eindigen, gebeurde er iets. Ik kan het met mijn lekenbrein niet anders inbeelden dan dat er een cocktail ontstond door gassen, hitte en druk en dat uit een sublieme timing er zoiets ontstond als een soort proto-cel. Mischien was het wel een sequentie van gebeurtenissen, maar aanschouw: deze cel plakte aan een tweede. Chemie, mysterie, of goddelijke interventie, hoe je het noemt, noem je het, maar leven was geboren en pas vele miljoenen jaren later noemde zo’n levensvorm zichzelf mens, die vervolgens arrogant genoeg was om een gouden plaat (hoeveel exemplaren zouden ervan verkocht zijn?) met de eigen culturele verscheidenheid de ruimte in te schieten.
Wat nou, als die door god vergeten bol in die onmeetbare verre toekomst, zo’n zelfde geschiedenis door zou maken? Als er nou ergens in de onpeilbare diepte van tijd en ruimte, hitte, gas en chemie iets zou ontstaan, wat dan uiteindelijk weer zou uitkomen op een wezensvorm dat enerzijds in de verste verte niet hoeft te lijken op wat wij nu mens noemen, maar toch nieuwsgierig genoeg zal zijn om opnieuw de ruimte in te gaan, op ontdekkingstocht zoals wij dat miljoenen jaren voor hen deden? Stel nou, dat het die wezens zijn die uiteindelijk de Voyager I vinden. Heel voorzichtig dat rare sprieterige geval hun ruimteschip binnenhalen en dan aan de onderkant een goudkleurige plaat vinden met miniscule groefjes, een handleiding erbij waarop in tekeningen staat uitgelegd dat je blijkbaar iets moet met die plaat? En dat ze dan al die tekeningen, foto’s zien, de muziek horen, de verschillende talen? Wat zouden ze dan denken? Als ze dat kunnen, ten minste. Grote kans dat ze hele andere zintuigen hebben dan wij nu.
We kunnen dit niet staven, niet toetsen en slechts met veel fantasie een antwoord formuleren. Of toch? Laten we als gedachtenexperiment de geschiedenis opnieuw een slag doordraaien. Stel nou dat al onze pogingen om een teken van leven, van ver hierbuiten, vanuit de ruimte, op te vangen, uiteindelijk iets opleveren? Namelijk, een haveloos, raar, eigenlijk onherkenbaar apparaatje dat uit de ruimte lijkt te vallen, opgepikt door een gezamelijke missie van Europa en de Nasa (alleen konden ze de kosten niet dragen, en het kwam politiek ook wel lekker uit ten opzichte van andere, vergane grootmachten). Het wordt snel duidelijk dat het gaat om een door intelligente wezens vervaardigd apparaat. De wijze waarop het in elkaar is gezet kan nooit door natuurlijke krachten zijn vervaardigd. Ook alle gebruikte materialen zijn in zekere zin herleidbaar tot natuurlijke stoffen. Ze zijn vooralsnog niet allemaal nieuw op de chemische elementenlijst. Maar er lijkt iets raars in het apparaat te zitten. Er is een stuk materiaal gevonden dat op geen enkele manier wordt herkent. Het lijkt alsof de verzender van het pakket hiermee iets kostbaars wilt overhandigen aan de vinder ervan. Het gehele gevaarte lijkt voor praktische zaken ingesteld, maar niet dat blok, wat het meest lijkt opgebouwd uit een onbekend soort edelmetaal. Dus dan begint het grote gepuzzel. Internationale wetenschappers, uitvinders, rijke filantropen; iedereen bemoeit zich met het blok. Iedereen probeert uit te vinden waarvoor het dient. Wat is de boodschap die de verzender ermee lijkt te willen geven? Is het analoog? Tientallen naalden, lezers, strallingsapparaten worden uitgeprobeerd. Is het digitaal? Elke computernerd, elke start-up met een briljant idee wordt uitgenodigd om op Fort Knox, waar het zorgvuldig wordt bewaard, de code te kraken. Zo overtuigd als we zijn, een klein groepje complotdenkers daargelaten, dat er een boodschap uit de ruimte is bezorgd, zo radeloos is men uiteindelijk dat het niet lukt.
Ten einde raad besluit men om het jaar 2145 af te wachten. Het moment waarop de Voyager I op pad werd gestuurd was juist gekozen omdat op dat moment de stand van de planeten zo was dat met een minimum aan brandstof de vier grote buitenplaneten Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus bezocht kon worden. Deze situatie doet zich slechts eens in de 175 jaar voor. In 2145 is dan ook tijd om het volgende hoofdstuk te schrijven. Ook het mysterieuze apparaat gaat terug de ruimte in. De Voyager achterna. Boodschappen uit de ruimte, voor de ruimte. Een grotere samensmelting, een groter gevoel van één-zijn met de rest van de ruimte heeft men zich op aarde niet kunnen voorstellen. Deze verbondenheid, en tegelijkertijd het absolute gevoel van een gebrek aan verbinding met en begrip voor tijd en ruimte, doet de mens in vertwijfeling besluiten zich over te geven aan haar onwetenheid. In een zeldzaam altruïstisch moment besluit ze dat niet alles wat ze vindt haar ook toekomt. Datgene wat ze niet kent, maar wel door een unieke, eerdere voorganger is gemaakt en verzonden, is teruggekomen en met dezelfde vaart terug de ruimte in geschoten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten